Er ligt altijd veel klein plastic afval op straat. Toch zit daar soms iets verrassends bij. Onderweg naar de supermarkt zag ik iets roods liggen, volgens mij een klein speelgoedpropellertje. Die ging m’n zak in.
Het was een versimpelde versie, van maar zeven centimeter. Bij echte propellers hebben de vleugels een draaiing, om stuwkracht te creëren. Ik vroeg me af waar het een onderdeel van was geweest.
Wonderlijk hoe zo’n kleine vondst meteen de associatie in me plant van die gevleugelde esdoornzaden, ofwel ‘helicoptertjes’. Toch mis ik in de plastic versie die papierdunne vleugels en de verdikking van die twee zaden. En dat de grond ermee bezaaid is, zodat er misschien één wortel schiet.
Eigenlijk toch prachtig dat de natuur ons altijd weer principes voor vormgeving en techniek aanreikt van een ongelooflijke verfijning en wij daar gebruik van maken in architectuur, vliegtechniek en meer. Maar de natuur zullen wij nooit overtreffen.
Als ik het propellertje op wit papier fotografeer, lijkt de achtergrond te verdwijnen en zie ik nog een vleugje roze reflectie. Als je hem in de lucht zou gooien, valt hij gewoon meteen op de grond en zweeft hij niet roterend met de wind mee. En op je neus blijft hij ook niet zitten.