Al m’n ramen en kozijnen moeten eruit. Grote gaten in de muren. De verbouwing is begonnen. Het wordt kunststof met triple glas.
M’n spullen staan samengeklonterd midden in de kamer. Alle apparatuur afgedekt. Ook m’n kerstboompje moet naar binnen. Er gaan tegelijk 5 ramen uit en de plotselinge tocht waait het plastic los. Ik zie zo’n acht mannen in actie. Een Oekraïner wrikt, zaagt en mept de balkonhoek eruit. Twee Polen aan de slag met mijn raam voor. Een Marokkaan in de keuken. De ‘Engelse jongen’ voert de brokstukken af, terwijl een grote, trage Syrische man het zware triple glas naar binnen sjouwt.
Ik vind nog net een plekje in m’n kamer. Maak maar wat foto’s, kan toch niet met ze praten. Deze mannen zijn goed op elkaar ingespeeld. In één dag zitten de ramen erin. De afwerking gaat de volgende dagen verder. De kitspuit moet veel oplossen. Als het ‘klaar’ is, heb ik een wit huis vol stof en glanzende kozijnen.
Op een moment staan 2 mannen op het balkon met de handen omhoog. Éven zie ik er een bijbels tafereel in van ‘Ach en Wee’. Of zwaaien ze? Moeten ze ‘n keertje rekken en strekken? Nee, hun handen zijn klaar om te ontvangen. Je ziet net één puntje van een kozijn afdalen.
Mijn gesloopte ramen worden in een container gedumpt. Ze hebben me elf jaar beschermd tegen kou, regen en wind; me licht en uitzichten gegeven.